Nonsense Poezie

Nonsenspoëzie

Nonsenspoëzie verwijst doorgaans naar helemaal niets meer. Deze vorm wordt vaak light verse genoemd, maar dat is ten onrechte. Nonsenspoëzie kan brabbeltaal zijn of uit dierengeluiden bestaan; het kan ook fantastische poëzie zijn, in die zin dat het gedicht louter uit gefantaseerde elementen bestaat. (van der Pluijm, 1993)

Nonsens poëzie is een literair genre dat speelt met taal, klanken en ritme om een humoristisch, eigenaardig of absurd effect te creëren. Het kenmerkt zich door het opzettelijk gebruik van onlogische, ongerijmde of betekenisloze elementen. Hier zijn enkele kenmerken van nonsens poëzie:

  • Onconventionele taal: Nonsens poëzie maakt vaak gebruik van verzonnen of ongebruikelijke woorden, vreemde uitdrukkingen en taalspelen. Deze elementen dragen bij aan het humoristische en surrealistische karakter van het gedicht.
  • Onlogische of absurde verhaallijnen: De gedichten kunnen bizarre, onrealistische of absurde situaties en personages bevatten. De verhalen volgen vaak geen logische structuur of plot.
  • Spelen met klank en ritme: Nonsens poëzie legt vaak de nadruk op het ritme, de klank en de muzikaliteit van woorden, soms ten koste van hun betekenis.
  • Humor en speelsheid: Deze vorm van poëzie is meestal licht en humoristisch, bedoeld om te vermaken en te amuseren.
  • Gebruik van paradoxen en tegenstellingen: Nonsens poëzie speelt vaak met tegenstrijdigheden en paradoxale situaties, wat bijdraagt aan het absurde en onvoorspelbare karakter.

Geschiedenis van Nonsensgedichten

Nonsenspoëzie werd beroemd met de kinderrijmpjes van Moeder de Gans uit de 17e eeuw. Sommige poëziehistorici beweren echter dat nonsenspoëzie al sinds de 8e eeuw na Christus bestaat. Deze gedichten werden vooral geschreven om kinderen te vermaken en aan het lachen te maken. Hoewel ze geen logische betekenis hebben, volgen ze toch grammaticale en structurele regels om herkenbaar te blijven als poëzie. De bekendste vorm van nonsenspoëzie is de limerick, die een strak rijmschema heeft.

Het genre was vooral populair in de Engelse literatuur in de 19e eeuw. Voorbeelden zijn E. Lears The book of nonsense en de vele gedichten van Lewis Carroll. Ook in Nederland kennen we een schrijver uit die tijd, die heel goed met de Engelse varianten in aanraking kan zijn geweest. Zijn naam was Gerrit van de Linde (1808-1858)

De Schoolmeester

Gerrit van de Linde, beter bekend als de Schoolmeester heeft zijn dichtbundel nooit in handen gehad. Het is postuum uitgegeven door zijn vriend, de romanschrijver Jacob van Lennep, met wie hij jaren lang brieven had uitgewisseld, had ervoor gezorgd dat zijn werk nu ook onder de ogen kon komen van een breed publiek. Van de Linde was toen in Nederland vrij onbekend. Nadat hij als Leids student wegens zijn amoureuze avontuurtjes in moeilijkheden was geraakt, was hij in Engeland gaan wonen, waar hij de leiding kreeg over een kostschool. Weinig Engelsen die Van de Linde in zijn deftige zwarte pak met witte das ontmoetten, zullen vermoed hebben dat deze schoolmeester in zijn vrije tijd gedichten schreef waarin hij al zijn gekkigheid en dwaze fantasieën kon uitleven. Hij maakte daarbij graag gebruik van vreemde rijmen, komische woordspelletjes en opzettelijke verhaspelingen. Doordat hij maling had aan alle artisitieke regels, werd De Schoolmeester in onze negentiende-eeuwse literatuur een unieke figuur. (Calis, 1983)

Bronnen:

  • Schrijven van gedichten en verhalen, Cees van der Pluijm, 1993
  • Onze literatuur tot 1916, Piet Calis, 1983

Door Charlotte

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *