| De hond. Een Fabel. Een hond, Hektor geheeten, had by nacht Over een mand keukenbeschuiten de wacht, Met strikt bevel Om het stelen der beschuit, zoowel Geheel als gedeeltelijk, te beletten; Waarom zoû men hem toch anders op schildwacht zetten? | |
| [p. 229] | |
| Hektor begreep dit ook zeer goed, Beter dan menig ontvanger of eerste minister het doet, En hy had, op zijn best, een kwartier of zoo te schilderen gestaan, Of daar komt, in ’t verschiet, by het licht der maan, Een jonge Kees met de hondeziekte aan, En regelrecht (dat ’s zoo klaar als een klontjen) Op de beschuitmand af van ons waakzaam hondtjen. ‘Qui vive!’ blaft Hektor met een stem als een sergeant-majoor; ‘Of versta je altemet geen Fransch, en ben je doof aan dat oor, Dan vertaal ik ’t in: wie daar;… in allen geval je komt er niet door.’ Doch Keezen, verhit op roof, Zijn gewoonlijk Oostindisch doof: ‘Ja wel, sla maar door, krullebol,’ zegt deze, en met hair en huid Verdonkeremaant hy de mand beschuit. Om het kort te maken, Het loopt op bakkeleien uit en Keesjen krijgt laken, Slaat aan ’t janken en andere muziek En schuurt op drie pooten zijn piek. Doch, terwijl Hektor no. 1 dus op doet dansen, Zit no. 2 reeds by de mand te schransen…. En Hektor staat verstomd, met zijn handen op zijn rug: Want daar komen bovendien twee manke Moppen over de brug, Mede rechtstreeks aan op het snoeperijtjen, Beiden natuurlijk met een keezen-appetijtjen, En steken het delikaat gebak Dadelijk in hun mond, by gebrek van een zak. ‘Weet je wat,’ zegt Hektor, ‘plaatpoetsen zit niet in mijn aart, | |
| [p. 230] | |
| Want ik heb een oudste dochter, die als waker op den beurtman vaart…. Maar één tegen vier is geen partuur, En daar is geen hond in de gansche natuur, Noch in de Vereenigde Nederlanden, Die een mand levensmiddelen beschermt tegen zooveel keezentanden. Doch ik heb nog één middeltjen in petto, Als menheer de Italiaan zei met zijn stiletto. Om de beschuit, die het korfjen versiert, Te verdedigen tegen dit ongediert; (Want aan zulk janhagel den naam van dieren te schenken, Zou mijn gevoel, als hond van eer, te veel krenken.) Het best van allen Is, zelf op het proviand maar aan te vallen. ’Zoo gezegd, zoo gedaan: In eigen persoon tast nu Hektor het spijskorfjen aan, En eer iemand, die in ’t hoofd verstopt is, zijn neus kan snuiten, Is het lot reeds beslist van de mand beschuiten; Terwijl Mopjens, Kardoezen en Keezen inkluis | |
| [p. 231] | |
| Op een pruikmakers drafjen afpoeieren naar huis. –Moraal. Dees Fabel leert ons, zoowel als de Geschiedenis, Dat de vraatzucht van Keezen onverzaadbaar is, En dat zy er nooit een been in zien, Om zich met het eigendom te verrijken van andere liên. Doch ten tweede doet de Fabel ons duidelijk aanschouwen, Hoe men somtijds den wil voor de daad moet houên, En hoe men, als men zijn best doet, en niet kan slagen, Zich maar als bovengenoemde hond moet gedragen. ‘Je meent natuurlijk Hektor?’ zegt hier iemand terstond: ‘Mijnheer, U neemt my het woord uit den mond!’ – |
De Nonsens van ‘De hond’ – geschreven door De Schoolmeester
In deze blog leggen we uit waarom ‘De hond’ een nonsens gedicht is.
Ongeloofwaardige Situaties en Gebeurtenissen
Het gedicht begint ongeloofwaardig: een hond die beschuiten bewaakt. Honden worden normaal gesproken niet gebruikt voor het bewaken van voedsel, laat staan beschuiten. “Een hond, Hektor geheeten, had by nacht / Over een mand keukenbeschuiten de wacht” Het feit dat de schrijver ervoor kiest om de hond een naam en een duidelijke taak te geven, versterkt het vreemde karakter.
In “De hond” worden dieren menselijke eigenschappen toegedicht, een techniek die bekend staat als antropomorfisme. Hektor, de hond, gedraagt zich als een mens. Hij blaft commando’s in het Frans en voert een quasi-militaire actie uit tegen de dieven. Dit draagt bij aan de nonsens, aangezien het gedrag van de hond ver verwijderd is van wat we in de werkelijkheid zouden verwachten. “‘Qui vive!’ blaft Hektor met een stem als een sergeant-majoor” Het idee dat een hond Franse commando’s blaft, is zowel vreemd als grappig.
Overdreven Humor
De acties van Hektor en de dieven zijn overdreven. Het is bijvoorbeeld onlogisch dat Hektor “met zijn handen op zijn rug” staat, want honden hebben geen handen! Deze overdrijvingen maken het gedicht nonsens. “En Hektor staat verstomd, met zijn handen op zijn rug” Het is bijna alsof de hond een mens speelt in een toneelstuk. Aan het eind eet Hektor zelf de beschuiten op zodat de dieven ze niet kunnen stelen. Dit is onverwacht. “Het best van allen / Is, zelf op het proviand maar aan te vallen.” Het idee dat de bewaker uiteindelijk het voedsel zelf opeet, is een ironische twist die zowel verrassend als grappig is.
Verschillende Stemmen en Tonen
Het gedicht heeft verschillende stemmingen. Soms klinkt het serieus, en soms heel speels. Dit maakt het inventief, omdat de serieuze toon niet bij de gekke gebeurtenissen past. “‘Weet je wat,’ zegt Hektor, ‘plaatpoetsen zit niet in mijn aart, / Want ik heb een oudste dochter, die als waker op den beurtman vaart….”
Het gedicht gebruikt vreemde vergelijkingen en beeldspraak. Bijvoorbeeld, het zegt dat Hektor zelf de beschuiten opeet. Dit is niet wat je zou verwachten. “Zoo gezegd, zoo gedaan: / In eigen persoon tast nu Hektor het spijskorfjen aan” Dit soort verrassende dingen maakt het gedicht leuk om te lezen.
Parodie op Fabels
“De hond” lijkt een parodie te zijn op traditionele fabels, waarbij morele lessen worden gegeven via dierenverhalen. De absurde gebeurtenissen en overdreven karaktereigenschappen maken de traditionele fabelstructuur belachelijk en versterken het gevoel van nonsens. “Dees Fabel leert ons, zoowel als de Geschiedenis, / Dat de vraatzucht van Keezen onverzaadbaar is” Het gedicht speelt met de verwachtingen van de lezer door een traditionele vorm te gebruiken, maar deze te vullen met absurde inhoud.
Spelen met Taal
Het gedicht speelt met taal door gebruik te maken van oude woorden en uitdrukkingen, evenals rijm en ritme die bij nonsens poëzie passen. “Om het kort te maken, / Het loopt op bakkeleien uit en Keesjen krijgt laken”
Conclusie
Het gedicht “De hond” is een mooi voorbeeld van een nonsens gedicht. Het is grappig en onlogisch. Door gekke gebeurtenissen, overdreven humor en onverwachte wendingen. Deze elementen samen maken het gedicht tot een klassiek voorbeeld van nonsens poëzie.
